Onderkant: Herman van Veen 'een kind van zestig jaar'

Ruud Buurman

Op 14 maart 1945 werd Herman van Veen in Utrecht geboren. Het beeld van de man die dit jaar veertig jaar op de planken staat, is dat van iemand die altijd bezig is met verzinnen. Een man met ongekende fantasie. ’Een kind van zestig’, zo schetsen vrienden, collega’s en muzikanten hem.

Laurens van Rooyen, pianist/componist, begeleider tot 1975: “Ach, terugkijken… dat doen creatieve geesten toch niet? Hoe oud je ook bent, je wilt je publiek altijd laten zien en horen wie je bent. Je hebt een geschenk gekregen bij je geboorte, daar wil je je leven lang je energie en toewijding aan geven.”

Paul van Vliet, vriend en collega: “Ik ben een vriend, ja. Als we elkaar zien, noem ik hem broertje, want ik ben ouder. Wij hebben een groot wederzijds respect voor elkaar als theatermakers en mens. Een man met een groot menselijk engagement, net als ik enorm betrokken met het lot van kinderen.”

Claudia de Breij, cabaretiere en bewonderaar: “Ik was 8 en zag hem op tv. De leeftijd voor Alfred Jodocus Kwak. Maar dit was een show in Carre. Magisch vond ik het. Toen ik 21 was en net zelfbegon nodigde hij me uit om een dag bij hen te komen kijken in het theater. Ik heb van hem geleerd altijd te spelen alsof je nog heel veel energie over hebt. Ook al heb je een rotdag.”

Rob Chrispijn, tekstschrijver: “Hij kan heel grote gebaren maken. Hij leeft intens op het toneel, daar hoor je hoe het met hem gaat. Tijdens een opname in een Studio hoorde ik dat mijn moeder was overleden. Hij rende me achterna op het parkeerterrein, pakte me beet en ik stond ineens ontzettend te janken. Dat vergeet ik nooit, ook al zingt hij de laatste jaren meer teksten van anderen dan van mij.”

Philip Freriks, nieuwslezer NOS: “Wij kennen elkaar ja, Vanaf Parijs in 1972, toen hij Danny Kaye ontmoette. Daar was ik bij. Hij heeft nog een mooie foto waar we met z’n drieen opstaan. Hij en ik met lang haar. Ik hoor wel eens dat Herman zegt dat wij samen zijn opgegroeid maar dat komt uit zijn rijke geest. Maar het is een mooi compliment dat hij me kennelijk zo beleeft.”

Youp van ‘t Hek, cabaretier: “Ik heb de indruk dat wij elkaar zeer mogen. Colle-giale vriendschap. Hij vroeg een keer hoe ik toch zo snel grappen kon maken en toen heb ik er twintig voor hem verzonnen. Ik herinner me zijn eerste optreden in Carre. Ik heb er met open bek naar zitten kijken en de 1p grijsgedraaid op mijn jongenskamertje.”

Edith Leerkes, gitariste: “Herman is mijn zanger, zeg ik vaak, maar ik ben ook zijn ‘adjudant’. Hij is er een meester in om de routine buiten de deur te houden met kleine veranderingen. Hij daagt je uit alle sluizen open te zetten. Hij kan jankend zingen. Sinds zijn ouders zijn overleden in 2000 neemt hij minder tijd voor ‘ruis’. Zijn tijdsbesef is veranderd, hij is heel erg to the point geworden.”

Harry Sacksioni, gitarist en voormalig begeleider: “Wij waren als een huwelijk en dat was voorbij na tien jaar. Ik speel al 25 jaar solo. Hij is een grandioos artiest, van wie ik heel veel heb geleerd. Vroeger zong hij mooier. Nu is het vaak zo opera-achtig. Ja, ik speel vanavond mee, ik zal hem vragen Dat Tedere Gevoel weer echt ‘klein’ te zingen.”

Jacques d’Ancona, theatercriticus: “Ik ben met hem naar New York geweest voor zijn eerste optredens op Broadway. Na de recensies in onder meer de New York Times, is de toernee na een week af- geblazen. Diepverslagen was hij. Achteraf kun je zeggen dat de mislukking de op-maat is geweest voor die enorme internationale vlucht van Herman. Het boek dat we er samen over schreven heet ook Een Vlucht Vooruit.”

Jeroen Krabbe, acteur en vriend: “Een man met ongelooflijke fantasie. Altijd kind gebleven in speelsheid en zijn kijk op de wereld. Hij leeft in een sprookjeswereld, waarin alles kan, alles mag. Om dat vast te houden en ook op latere leeftijd cynisme geen kans te geven, is geweidig. Voor mij behoort hij tot de allergrootsten, met Toon, Wim Kan en Freek. Een artiest van wereldniveau.”

Erik van der Wurff, pianist en onafscheidelijk: “Elke keer verbaast het me weer dat het er is, dat we elkaars ziel na veertig jaar nog steeds zo goed aanvoelen. Het is niet te benoemen. Vriendschap? Nee. Dat is zo aards, dan drink je samen een pilsje. Noem het persoonlijke verbondenheid. We leiden totaal andere levens. Hij viert bijvoorbeeld zijn verjaardag en dat doe ik al veertig jaar niet meer.”

Utrechts Nieuwsblad 14 maart 2005

Tagged with:
Bron: Utrechts Nieuwsblad, 14 maart 2005

This entry was posted in Kranten & Tijdschriften, Media, Nieuwsarchief and tagged . Bookmark the permalink.

Comments are closed.