Skip to content

De buitenstaander – Totale overgave

1 juni 2000

door: Rik Planting

Zijn mond valt open van verbijstering als hij het voor de eerste keer meemaakt: nooit had hij geweten dat mensen konden krimpen. Maar nu ziet hij, met eigen ogen, dat het kan. Bij iedere ‘gvd-zus’ en ‘gvd-zo’ die over het trainingsveld schalt zakt een medespeler steeds iets verder de grond in. Tot een hoopje ellende overblijft. Welkom bij de club. Harry Sacksioni speelt al vier jaar bij Ajax, maar op deze mooie lenteavond in 1966 beseft hij dat wat in voorgaande tijd gebeurde heel vrijblijvend was. Ja, vanaf zijn entree bij de club, een paar maanden voor zijn twaalfde verjaardag, hadden ze hem verteld dat hij altijd ‘de naam Ajax’ hoog diende te houden. Maar aan die eis was gemakkelijk te voldoen. Door sportief te spelen en vooral, door te winnen. En doordat er altijd werd gewonnen, was het niet moeilijk sportief te blijven. Nu hij het volgend seizoen bij de A-junioren gaat spelen, mag hij al vast een keertje meetrainen met `de grote jongens’. Zestien, zeventien jaar zijn ze en hij kijkt enorm tegen ze op. Vooral omdat ze stuk voor stuk zo goed voetballen.Eentje steekt er in zijn ogen boven uit. Het is dezelfde speler die tijdens de training de scheldkanonnade van de dienstdoende oefenmeester, Jany van der Veen, over zich heen krijgt. ‘Ik begreep er helemaal niet van. Zoiets was totaal nieuw voor me.’ Na de zomer zal Sacksioni zelf ervaren wat het is mee te doen bij de A-junioren, bij Ajax het voorportaal van het betaalde voetbal. Rechtsbuiten speelt hij meestal. Maar de tijd van lekker pingelen en zoveel mogelijk scoren is voorbij. Meeverdedigen moet hij, ’terugschakelen’, en als hij dat even vergeet krijgt hij de wind van voren. ‘Er werd gescholden, kritiek geleverd. Het kwam op mij als keihard over. Waarschijnlijk is het allemaal minder hard geweest dan ik nu denk. Pas jaren later begreep ik ook pas dat zulke scheldtirades waren bedoeld om je te “prikkelen”.’ Ruim dertig jaar later vindt Harry Sacksioni (1950) het nog steeds ‘volstrekt logisch’ dat hij de kritiek accepteerde. Je doet iets heel erg graag, zegt hij, en dan heb je er ook alles voor over. ‘We wilden bij Ajax allemaal verschrikkelijk graag. Ik ook. Ik gaf me volledig. Iedere training, iedere wedstrijd.’ Als hij nu traint, gebeurt dat met dezelfde overgave als toen. Wie zo fanatiek is, zegt hij, is ongeschikt anderen iets te leren. Hij heeft het weleens geprobeerd jonge jongens voetbaltraining te geven, of beginners het gitaarspel bij te brengen. Zitten er altijd van die gastjes bij die weigeren iets te doen. `Ik walg bij de gedachte dat iemand gaat zuchten als ik vraag iets simpels uit te voeren. Ik ben bang dat ik gelijk zal roepen: “Doe het dan níét, maar sodemieter dan ook gelijk op!”‘

Het gaat om instelling, zegt hij. Het gaat ook om de ‘intensiteit’, om ‘de mate waarin je iets beleeft’. In de jaren dat hij voetbalde ging hij helemaal op in het spel. Een wedstrijd duurde nooit langer dan drie minuten. Naar zijn gevoel dan. En als hij musiceert en componeert ervaart hij dezelfde ’tijdloosheid’. Vroeger kon hij kapot van de training thuiskomen, om zich daarna urenlang ‘als in een trance’ met zijn gitaar in z’n kamer op te sluiten. ‘Nu nog kan ik urenlang achtereen bezig zijn met mijn muziek. Als ik m’n gitaar dan uiteindelijk neerleg, denk ik tien minuten te hebben gewerkt. Leeg voel ik me op zo’n moment, totaal leeg. Zoals vroeger na de training. Euforisch ook, zeker als me is gelukt wat ik voor ogen had. Het komt in de buurt van het ultieme geluksgevoel. Ik leef daarvan, het is mijn voeding.’ De componist Sacksioni heeft geleerd van de voetballer Sacksioni. Voetbal heeft als voorbeeld gediend voor de manier waarop hij later muziek is gaan maken. ‘Een voetballer laat dingen op het veld gebeuren. Bewust. Door onverwachte dingen te doen, verras je je tegenstander. Ik heb daarin altijd een parallel gezien met componeren.’ Niet alles is het gevolg van een bewuste handeling, intuïtie is minstens zo belangrijk. ‘Er gebeuren op een veld meerdere dingen tegelijk. Een goede voetballer voelt aan hoe hij daarop moet reageren en anticiperen. Van tevoren weten wanneer je moet handelen, van tevoren weten dat je een stapje naar links of naar achteren moet maken. Het is wat Louis van Gaal noemt “een wedstrijd lezen”. Ik was een heel intuïtieve speler. De betere voetballers beschikken volgens mij allemaal over een sterk ontwikkeld “intuïtief systeem”.’ Intens heeft hij de jaren bij Ajax beleefd. Maar niet alle herinnering aan vroeger is glashelder. Benieuwd is hij nog steeds of hij werkelijk tot de ‘betere voetballers’ behoorde. Natuurlijk, zegt Sacksioni, als je als jochie van acht een bal met gemak driehonderd keer op je voet laat stuiteren, weet je al vroeg dat je boven het gemiddelde uitsteekt. Goed, vanaf z’n eerste jaar bij Ajax speelde hij altijd moeiteloos mee in de hoogste elftallen, voerde aan het einde van ieder seizoen de lijst met topschutters aan. Aan de andere kant: hij was een late groeier, en dat gaf hem in fysiek opzicht een achterstand op veel van zijn medespelers. En een bal koppen bijvoorbeeld, deed hij nauwelijks; twee zware hersenschuddingen kort achter elkaar hadden van hem al vroeg iemand gemaakt die vaak last had van migraine. En toch waren er voldoende die zijn ‘onnavolgbare passeertechniek’ roemden en die hem vergeleken met leeftijdgenoten als Johnny Rep of Sjoerd Ruiter. Maar Rep en Ruiter waren beter, zegt hij. Hoewel: iederéén was goed, ook anderen als Robbie Speyer, Jantje de Koning, de broers Henny en Rob Vredenbrecht. En George van Bockel, die op die lenteavond-training zo vernietigend onder vuur werd genomen. ‘De dingen die je doet zijn snel gewoon. Ik heb mezelf nooit zien voetballen. Ik had graag eens filmopnamen van mezelf willen terugzien, om objectiviteit en subjectiviteit van elkaar te kunnen scheiden.’

Sommige vragen zullen altijd vragen blijven. Andere niet. Is hij pas in 1962 lid van Ajax geworden?’Hij had gezworen dat het twee jaar eerder was. Namen, jaartallen: Sacksioni vergeet ze bijna ter plekke. Het lijkt ruimte in zijn hoofd te geven voor componeren, iets wat hij liever doet. Zonder een noot op te schrijven of op te nemen, werkt hij het liefst aan verschillende stukken tegelijk. Blind simultaan. ‘Als het ene stuk niet vlot, stap ik over naar het volgende. Ik sla alles in m’n hoofd op en daar blijft het ook zitten. Ik zou in paniek raken als ik in een compositie vastloop, zonder een stuk te hebben waarop ik kan terugvallen. Ik ben nieuwsgierig van aard, maar ik wil niet weten hoe zoiets werkt in m’n hoofd. Ik ben bang die kunst te verliezen, zodra ik er een vinger heb achter gelegd.’ Zolang er vragen zijn heeft hij over gebeurtenissen van vroeger geen afgerond oordeel. Misschien, zegt hij, heeft hij bij Ajax dingen meegemaakt die voor zijn latere leven belangrijker zijn geweest dan hij eerst dacht. Wedstrijden spelen onder het oog van een kritisch publiek. Trainingen waarbij je niet alles over je kant kon laten gaan. ‘Terwijl ik dacht dat ik het heel goed deed, kreeg ik soms ongenadig op m’n donder. Dat zijn momenten dat je voor jezelf moet opkomen. Mogelijk heb ik daardoor meer lef gekregen. Misschien heeft het me net dat duwtje gegeven om op een podium te gaan staan. Ik was een heel bescheiden jongetje. Ik ben niet opgegroeid in een omgeving waarin me zelfvertrouwen werd bijgebracht. Ik sta nu avond aan avond voor een zaal mensen. In m’n eentje. Ik ben trots op mezelf dat ik het aandurf.’

Liefde voor voetbal is erfelijk overdraagbaar. Daarvoor zijn vaders verantwoordelijk. Vanaf hij zich kan herinneren zit kleine Harry bij vader Harry achterop de fiets, vanaf hun huis in de Amsterdamse Rijnstraat op weg naar een wedstrijd van Ajax in de Meer. Het ouderlijk huis is een voetbalhuis. Vader Harry heeft, net als diens broer Luc, in de jaren dertig en veertig bij Ajax gespeeld. In zijn sigarenzaak worden ook toegangskaartjes voor wedstrijden van Ajax verkocht. Liefhebbers, supporters en oudspelers komen langs en praten er voetbal. Vooral over Ajax. Moeder vindt al dat gedoe over voetbal maar zo-zo, oudere zus Loes verafschuwt het. Maar de jongen van acht, negen jaar die vanuit het woonhuis achter meeluistert, denkt dat Ajax de wereld is en de wereld Ajax. ‘Ajax was iets heel groots voor mij. Letterlijk. Als ik aan Ajax dacht moest ik gelijk omhoog kijken. Aan het einde van de jaren vijftig, begin jaren zestig was Ajax geen superploeg. Toch had ik het idee dat Ajax altijd kampioen van Nederland was.’ De buurt waar hij woont is een voetbalbuurt. Overal kan tegen een bal worden geschopt. En als er even geen vriendjes voorhanden zijn, is er de tuin achter het huis. De tuin is de plaats waar hij echt vertrouwd raakt met een bal. Eerst via de financiële stimulans van vader: een tientje als hij de bal driehonderd keer hooghoudt, vervolgens vijfentwintig gulden als het duizend keer lukt. Later ontwikkelt hij er zijn passeertechniek. Op aanwijzingen van Gerrie Stroker, oudspeler van Ajax, een goede kennis van zijn vader en tevens uitvinder van het ‘ballenkanon’ dat de club in die jaren op de training gebruikt. ‘Hij kwam weleens bij ons op bezoek en liet me dan slalommen langs sigarettendozen die hij kriskras in de tuin had neergezet. Binnen-, buitenkant voet; bal achter je standbeen langs halen; bal bij iedere stap aanraken. Ik speelde toen al een paar jaar bij Ajax. Belachelijk vond hij het dat de club me zulke dingen niet leerde.’
In juni 1962 wordt Sacksioni bij Ajax als pupil aangenomen. Elf jaar is hij, en tijdens het jaartje dat hij bij Neerlandia heeft gespeeld, was zijn talent niet onopgemerkt gebleven. In het voorjaar nog had hij met zijn club tegen Ajax gespeeld; 4-1 gewonnen, drie doelpunten van hem. Op weg naar Ajax, om met een stuk of zestig anderen een proefwedstrijd te spelen, gieren de zenuwen door zijn keel. Maar dat, weet hij nu, is voor hem een waarborg om te presteren. Geen zaal in Nederland waar hij niet op het podium heeft gestaan, maar nog altijd is hij vooraf ‘bloednerveus’. De enkele keer dat hij er géén last van heeft, dan draait het steevast uit op een ‘druil-optreden’. ‘Die nervositeit zorgt voor een adrenaline-stoot. Ontbreekt dat zenuwengevoel, dan lijkt het ook alsof m’n interesse is verdwenen.’ De knipoog die welpentrainer en keurmeester Carel Kamlag vlak na de wedstrijd geeft naar zijn vader is veelzeggend. Sacksioni mag lid worden. De contributie bedraagt zes gulden per jaar, de training op woensdagmiddag duurt anderhalf uur, op zaterdag wordt er met grote cijfers gewonnen. De trainingen zijn voor Sacksioni het walhalla, ook al stellen ze weinig voor. ‘Een beetje ravotten met elkaar. Er werd gekeken op welke plaats je het beste kon spelen. Bij mij heeft dat van het begin af vastgestaan. Ik speelde rechtsbuiten of middenvoor.’

Halverwege 1964 kiest de ledenraad van Ajax Jaap van Praag als nieuwe voorzitter. Het is de tijd dat de betaalde amateurvereniging Ajax op weg is te veranderen in de semi-profclub Ajax. In de zomer van 1964 ontvouwt jeugdbestuurslid Joop Martens in het Ajax Nieuws de ‘doelstelling van jeugdvoetbal in een betaalde voetbalvereniging’. Uitgangspunt bij Ajax moet volgens Martens zijn `uit het grote aantal jeugdspelers, door middel van een strenge selectie, te zijner tijd de beste krachten over te hevelen naar de afdeling betaald voetbal’. Een `bikkelhard’ proces, schrijft Martens, waarin geen plaats is voor ‘sentimenten’. Niettemin mag een club als Ajax nooit het belang uit het oog verliezen van ‘het aankweken bij het jonge individu van verschillende culturele waarden als plichtsbetrachting, verantwoordelijkheidsgevoel, opofferingsgezindheid, gemeenschapszin, wilskracht, bescheidenheid, eerlijkheid en nog zoveel andere eigenschappen waardoor deze jonge mens […] ook in de burgermaatschappij tot een sieraad kan uitgroeien.’
Theorie en praktijk zijn in die jaren niet hetzelfde. Sacksioni is intussen van de pupillen (10 tot en met 12 jaar) overgegaan naar de B-junioren (12 tot en met 15 jaar) en er wordt serieuzer getraind. Er zijn baloefeningen, er worden wedstrijdsituaties nagebootst en trainers als Cor Brom en Jahy van der Veen vertellen over tactiek. Maar dat bij Ajax `culturele waarden’ worden overgedragen, heeft hij nooit ervaren. ‘Een “visie” was er niet bij Ajax. Ik heb er althans niets van gemerkt. Mijn jaren bij Ajax heb ik heel intens beleefd. Daar heb ik van geleerd. Maar dat had evengoed kunnen gebeuren bij een andere club, of als ik was gaan volleyballen.’
Ajax is in zijn herinnering vooral een club van mensen als Wim Schoevaart: ‘nette mannen met hoeden’ die de jongens weleens apart nemen om ze, op gedragen toon, te doceren over de grootsheid van Ajax en over kansen die ze moeten grijpen. Meer was, zegt Sacksioni, wat hem betreft ook niet nodig. ‘Ik liep keurig in de pas. Ik wist wat mijn plichten waren. Ik was netjes, daar hoefde de club mij niet op te te wijzen.’
Niettemin, zegt Sacksioni, golden bij Ajax wel degelijk normen. Wie zich er niet aan conformeerde, moest vertrekken. Het aardige vriendje met wie hij eens meeging naar Galeries Modernes in de Reguliersbreestraat waar hij tot onthutsing van Sacksioni opeens een greep in de kassa deed, was twee weken later afgevoerd van de ledenlijst. ‘Zulke dingen werden bij Ajax absoluut niet getolereerd. Ik heb me er altijd over verwonderd dat het bijvoorbeeld Johnny Rep is gelukt door te breken. Een fantastische, heerlijke voetballer. Maar tegelijk een lapzwans. Een klaploper, met een wedstrijdmentaliteit van niets. Iemand die alle regels aan zijn laars lapte, niets serieus nam en altijd de kantjes eraf liep. Ik heb voortdurend gedacht dat hij eruit zou worden geschopt. Maar juist hij deed het goed bij Ajax. Ik heb er veel aan gehad lang met al deze verschillende mensen te zijn omgegaan en te zien hoe iedereen reageert op de regels die hun omgeving stelt. De één steelt bij Galeries Modernes, een ander ontwikkelt zich tot een wereldvoetballer: het heeft me inzicht gegeven in het gedrag van mensen.’

Waarom hij op z’n elfde zo nodig een gitaar wilde hebben is hem een raadsel. Interesse thuis voor muziek was er nauwelijks; van het gezin speelde niemand een instrument. Anderhalf jaar heeft hij gitaarles, tot zijn leraar overlijdt. Van dan af is hij op zichzelf aangewezen. ‘Ik zal alleen op mijn kamertje te spelen en kon daarom niet beoordelen of het iets voorstelde wat ik deed. Er was lange tijd nooit iemand die tegen me zei: “Zo, jij speelt leuk, zeg.” Pas nadat ik me had aangesloten bij een bandje kwam ik mensen tegen die me goed vonden.’ Op de ulo is hij een goede leerling. Maar hoe meer hij gaat puberen, hoe opstandiger hij wordt. In het klassikale schoolsysteem gedijt hij slecht. Als hij klaar is met zijn opdrachten moet hij met z’n armen over elkaar wachten tot zijn medeleerlingen ook zover zijn. ‘Razend werd ik dan.’ De limiet is bereikt als hij, net in de derde klas, met veel stampei aan z’n haren het lokaal wordt uitgesleept. Sacksioni zou een lerares hebben geslagen. ‘Waanzin, zo bleek al na vijf minuten. Ik ben de school uitgelopen en nooit meer teruggekomen.’
Zijn ouders zijn geschokt. Over het onrecht dat hun zoon is aangedaan, maar ook omdat hun zoon niet meer naar school terug wil. Ondanks een moeder die zich het liefst op afstand houdt en ondanks een vader die confrontaties bij voorkeur uit de weg gaat, overschrijdt junior met zijn wens niet meer naar school te gaan de grens van de door hun gestelde vrijheden. ‘Alles kon thuis, alles mocht, alles gebeurde. We hadden altijd een huis vol mensen. Grandioos. Mijn ouders lieten me volledig vrij in mijn keuzen. Aan de andere kant: zaken als aandacht, erkenning en stimulans schoten er enigszins bij in. Ik weet dat mijn ouders enorm trots op me zijn, maar ik wil het zo graag van ze horen. Als ik een Edison heb gewonnen, moet ik opbellen.’ Vijftien jaar is hij, als senior zijn zoon eenmalig en dwingend voor de keuze stelt. Of hij gaat terug naar school, óf hij moet vader assisteren in de winkel. Met tegenzin staat Sacksioni een jaar achter de toonbank van de sigarenzaak – een periode waarin het tot hem doordringt dat er ook zoiets bestaat als het beroep ‘gitarist’. In Hilversum overtuigt hij Phonogramproducer Hans van Hemert (Q65, Groep 1850, de Bintangs) in een paar minuten van zijn kunnen en een dag later is Sacksioni studiogitarist.
Met wat hij uit zijn instrument haalt, valt hij meer en meer op. Tegelijk groeien ook de twijfels over hoe hij bij Ajax verder moet. Hij speelt intussen in het hoogste elftal van de A-junioren (15 tot en met 18 jaar) en weet dat de beslissing dat hij weg moet of mag blijven over niet al te lange tijd valt. ‘Als je in het hoogste juniorenelftal speelt, ben je hard op weg het einddoel te halen. Het eerste van Ajax. Daar werden we voortdurend op gewezen. Ik wist dat ik niet over heel goede papieren beschikte. Migraine, een slechte kopper, fysiek niet sterk, verdedigend zwak. In de muziekscene viel ik steeds meer op. Mensen vonden me goed, ik kreeg aanbiedingen. Er lonkte een nieuw, totaal ander leven.’
De twijfels over zijn voetballeven worden versterkt door wat hij dagelijks bij Ajax meemaakt. Voetbal, voetbal en voetbal. Uitstekend dat er niet anders wordt gedaan, ook afstompend dat er over niets anders wordt gesproken. Zoals hij nu nog uit z’n vel kan springen als hij van die wezenloze kletsverhalen moet aanhoren, zo probeert hij ook zijn medespelers weleens tot een gesprekje over de krant, een boek of muziek te verleiden. ‘Onmogelijk. Ik kon met de meesten goed opschieten. Deed ook mee aan de heersende douche- en kleedkamerhumor. Alleen: het had voor mij z’n grenzen. Maar wie over iets anders dan voetbal begint heet gelijk een watje. Ik ben snel met die pogingen gestopt. Ik wilde niet de Klaas Nuninga van de groep worden.’
Een buitenbeentje is hij niet. Maar echt passen in de bij Ajax heersende voetbalcultuur doet hij ook niet. Het vieze gezicht dat trainer Han Grijzenhout trok toen deze een langharige, naar de modevoorschriften van die tijd geklede jongen op de tramhalte zag staan, zal Sacksioni niet vergeten. ‘Toegegeven: ik zag er niet uit. Maar op dat moment wist ik dat ik niet het type was op wie Ajax zat te wachten. Ik was, denk ik, ook anders. Gevoeliger, feller, gespitster op subtiliteiten. Een meer ontwikkelde vrouwelijke kant, zeg maar. De jongens bij wie ik hetzelfde meende te herkennen zijn vroeg of laat allemaal bij Ajax weggegaan.’ Twijfels worden zekerheden op een toernooi bij De Volewijckers, in het voorjaar van 1968. Sacksioni heeft in de maanden ervoor een aantal keren in het B-elftal meegespeeld en mogelijk komt hij het volgende seizoen in aanmerking voor een klein contract. Om inzicht te krijgen in de mogelijkheden van de Ajaxjeugd is hoofdtrainer Rinus Michels naar het veld in Amsterdam Noord gekomen. De wedstrijd tegen FC Volendam is nog maar net op gang en Sacksioni weet dat voor hem geen grootse voetbalcarrière is weggelegd. ‘Ik moest rechtshalf spelen, toch al niet m’n favoriete plaats. Bij de eerste de beste keer dat ik een duel aanging met m’n directe tegenspeler, tikte hij de bal in een vloeiende beweging tussen m’n benen door en rende als een speer bij me weg. Een afgang, een verschrikkelijke blamage. En dat voor de ogen van Rinus Michels. Na die wedstrijd heb ik besloten dat m’n toekomst in de muziek lag. Tijden later begreep ik dat Arnold Mühren de speler was die daarvoor verantwoordelijk is geweest.’

Thuis en bij Ajax was er begrip voor zijn besluit de gitaar boven de bal te verkiezen. Z’n vader noch de club probeert hem op andere gedachten te brengen. ‘Niemand heeft druk uitgeoefend om alles op het voetbal te zetten. Ik was een talentvolle speler, maar ook een speler met tekortkomingen. Dat zullen ze bij Ajax ongetwijfeld ook gezien hebben.’ Via een wurgcontract, afgedwongen door manager en impresario Hans Boskamp (‘Ja, jongen, dit is wat het is, wees er maar blij mee’), treedt hij op z’n achttiende definitief toe tot de Nederlandse muziekwereld. Na het jaar ‘muzikale omlijsting’ van het cabaret van Sieto en Marijke Hoving, werkt hij vanaf 1969 dik
tien jaar samen met Herman van Veen. Aanvankelijk alleen begeleidend, daarna ook als componist. Halverwege de jaren zeventig komt een solocarrière op gang die resulteert in zestien lp’s en cd’s waarvan vele honderdduizenden exemplaren worden verkocht. Alleen of met musici als Raymond van ’t Groenewoud, Frank Boeijen en Angelo Branduardi trekt hij met zijn ontelbare optredens en tournees steevast volle zalen – van de Amsterdamse Kleine Komedie en de Zwolse Stadsschouwburg tot in Oostenrijk en Denemarken. Voor toneel- en tv producties schrijft hij muziek, voor de radio doet hij columns en als hij voor de lol eens een animatiefilmpje maakt, valt zoiets ook al in de prijzen. Eén maniakale, obsessieve fan bepaalt hinderlijk dat voor roem ook tol betaald moet worden.
Tot z’n 24ste heeft hij nog in de senioren bij Ajax gespeeld. Het op en neer reizen vanuit Lienden in de Betuwe, waar hij vanaf z’n 20ste woont, wordt hem te veel. Bij de plaatselijke FC speelt hij daarna nog jaren mee in het eerste. De envelopjes met geld die op gezette tijden aan de spelersgroep worden uitgedeeld, slaat hij af. ‘Ik kwam om te voetballen.’ Voetbal heeft hem nooit losgelaten. ‘In mijn programma’s refereer ik vaak aan voetbal, praat ik ook over mijn voetbalverleden. Dat roept merkwaardige reacties op. Mensen die naar het theater gaan, houden niet van voetbal. Ze kunnen zich ook vaak niet voorstellen dat zo’n gitarist als ik een bloedfanatieke voetballer is geweest. Ze kunnen het grove en ruwe dat voetbal herbergt niet rijmen met het tere en subtiele in mijn gitaarspel.’

Het bovenstaande verhaal is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en zal tevens worden opgenomen in een bundel portretterende interviews, die komend najaar onder de titel ‘Leerschool Ajax’ bij uitgeverij Thomas Rap verschijnt.

[BRON: AJAX magazine juni 2000]

Aankomende optredens:
 • 25 mei
WIJK BIJ DUURSTEDE
 • 01 jun
HEERENVEEN
 • 08 jun
GROOTSCHERMER
 • 11 aug
ROOSENDAAL
 • 24 okt
EMMELOORD